Ga naar de inhoud

#1 Tegen alle adviezen in, zette ik mijn “sportpaard” 24/7 buiten

Geplaatst in:

Lisa

Ik parkeerde mijn auto eigenlijk nooit in het zicht van Chilli’s stal. Niet omdat daar geen plek was, maar omdat ik precies wist wat er zou gebeuren zodra hij mijn auto hoorde. Nog voordat ik uitstapte, begon hij vaak al te hinniken. Zodra hij me zag, sloeg hij met zijn been tegen de staldeur. Het gekke is dat ik daar jarenlang nooit iets achter zocht. Voor mij was het gewoon een teken dat hij blij was om me te zien. 

Het was die dag ergens rond een uur of acht in de avond. Ik kwam bij een vriendin vandaan en moest eerst heel nodig naar de wc. Dus voor één keer liep ik niet meteen naar Chilli toe. Een paar minuten later liep ik door de opening van de grote roldeur de stallen in. Hij kon me nog niet eens goed zien, maar ik hoorde hem al. Geen hinnik. Het voelde eerder als een brul. Ik werkte fulltime. Had daarnaast mijn honden Jack en Joe, sprak af met vriendinnen en natuurlijk ging ik dagelijks naar Chilli. Hij was onderdeel van mijn dag. Maar terwijl ik naar zijn stal liep, bleef die ene vraag maar door mijn hoofd spoken. Was ik eigenlijk zijn hele dag? 

Die vraag verdween niet meer. Sterker nog, hoe langer ik erover nadacht, hoe meer andere dingen me begonnen op te vallen. Als je je eenmaal ergens in vastbijt, begin je dingen te zien die je niet meer niet kunt zien. Die avond stond ik zoals altijd bij Chilli in de stal. Terwijl ik zijn deken losmaakte, bleef mijn blik ineens hangen. Zijn stal was vies. Niet vies zoals een stal eruitziet als een paard net heeft geplast of gemest. Dit voelde anders. Ik wist dat de paarden in de winter meestal maar vier uur per dag buiten kwamen, oftwel twintig uur per dag op stal stonden. Maar deze stal vertelde me iets anders. 

Buiten was het maar net een paar graden boven nul. Dus terwijl Chilli even los door de binnenbak liep, besloot ik zijn stal uit te mesten. Met deze temperaturen kun je maar beter in beweging blijven. Toch bleef mijn hoofd maar teruggaan naar die ene vraag. Was zijn stal niet uitgemest… of waren de paarden vandaag gewoon helemaal niet buiten geweest? 

Ik liep met de volle kruiwagen richting de mesthoop toen ik ineens het geschraap van een mestvork over de stalvloer hoorde. Aan het tijdstip te horen had ik eigenlijk meteen al een vermoeden wie het was. En toen ik haar zag, was ik stiekem best blij dat zij het was. Want als iemand antwoord kon geven op de vraag die inmiddels al de hele avond door mijn hoofd spookte, dan was zij het. 

Nadat ik de kruiwagen had weggezet, liep ik naar haar toe en sprak ik mijn twijfels uit “Zijn de paarden vandaag wel buiten geweest?” “Nee,” zei ze bijna opgelucht. “Ze zijn lekker binnen gebleven.” Ik wist niet wat mij op dat moment meer verbaasde. De opluchting in haar stem toen ze dat zei, of het feit dat de paarden dus inderdaad niet buiten waren geweest. “De paarden vinden het toch niet fijn om met deze temperaturen in de miezerregen buiten te staan,” vervolgde ze. “Ze staan alleen maar voor het draad te wachten tot ze weer naar binnen mogen.”

Ik kon haar die gedachte eigenlijk niet kwalijk nemen. Een paar jaar eerder had ik waarschijnlijk precies hetzelfde gezegd. Als ik een paard bij het draad zag staan, dacht ik ook dat hij graag weer naar binnen wilde. 

Tot ik me op een gegeven moment iets begon af te vragen. Keek ik eigenlijk wel naar de juiste kant van het verhaal? Wilde hij eigenlijk écht naar binnen…of had hij buiten simpelweg niets om voor te blijven? Want als buiten vooral bestond uit modder, kou, natte voeten, geen beschutting en weinig te eten… vertelt de keuze voor de stal dan echt iets over zijn voorkeur? Of vertelt die keuze vooral iets over de opties die hij (niet) had?

Die avond was in ieder geval voor mij de druppel. Ik wilde het anders doen. Niet omdat ik precies wist hoe, maar omdat ik voelde dat het moest. Ik had Chilli immers een belofte gedaan. Na zijn ongeluk had ik hem beloofd dat als hij hiervan zou herstellen, ik er alles aan zou doen om hem het beste leven te geven dat ik hem kon geven.

Niet dat ik die intentie voor zijn ongeluk niet had, integendeel. Natuurlijk wilde ik toen ook het allerbeste voor hem. Alleen was ik jong toen ik ooit als bijrijder in de paardenwereld terechtkwam en nam ik eigenlijk jarenlang vooral aan wat ik om me heen zag. Wat de stalhouder zei, wat mijn instructrice adviseerde, wat andere paardeneigenaren deden. Als iedereen het zo deed, dan zou dat wel zijn hoe het hoorde. Je hebt niet eens door hoe sterk zoiets je beeld vormt van wat normaal is.

Daar wilde ik vanaf. Ik wilde niet langer kijken naar hoe we gewend waren om dingen te doen, maar naar wat Chilli zelf nodig had. Naar zijn natuurlijke behoeften, in plaats van alles wat wij mensen door de jaren heen normaal waren gaan vinden.

Dit doet me gelijk denken aan een foto die ik op mijn telefoon heb staan waarop Chilli in de verte kijkt. Niet dat een foto van Chilli op mijn telefoon nou zo bijzonder is, want volgens mij krijgt iedere paardeneigenaar regelmatig de melding dat de cloud weer vol zit. Maar juist die foto roept bij mij altijd dezelfde gedachte op: als ik me écht in hem kon verplaatsen, hoe zou hij zijn leven dan voor zich zien?

Eén ding wist ik eigenlijk wel zeker: in dat beeld zou hij niet 85% van zijn dag door de tralies van een stal naar buiten staan kijken. En daarmee werd voor mij ook steeds duidelijker wat ik zocht. Ik wilde Chilli niet meer huisvesten in een leven waarin hij in de winter 20 uur en in de zomer 14 uur per dag op stal stond. Ik wilde een plek vinden waar hij dag en nacht buiten kon zijn, met andere paarden, voldoende eten, beschutting en vooral de mogelijkheid om zelf keuzes te maken.

De missie was helder: een 24/7 buiten groepshuisvesting vinden voor mijn “sportpaard”. De reacties iets minder.

Zodra ik mijn plannen hardop begon uit te spreken, kreeg ik ongeveer ieder rampscenario voorgeschoteld dat je bij een paard dat 24/7 buiten leeft kunt bedenken. Of ik dat nou wel écht zou doen. Want wat als het dagenlang regende? Wat als het vroor? Wat als Chilli geblesseerd raakte? En hiij was natuurlijk wel een “sportpaard”.

Het grappige was dat bijna niemand rampscenario’s had toen Chilli twintig uur per dag op stal stond. Maar zodra ik vertelde dat ik hem dag en nacht buiten wilde laten leven, kwamen ze ineens van alle kanten. 

En geloof me als ik zeg dat die zoektocht geen makkelijke was. Want als je op zoek gaat naar een plek waar je paard 24/7 buiten kan leven, in een groep, met onbeperkt ruwvoer én goede begeleiding, blijkt het aanbod ineens een stuk kleiner dan je zou denken.

Stallen waren er genoeg. Echt. Er is in Nederland geen tekort aan plekken waar je je paard kunt stallen. Maar dan kwam ik weer uit bij stallen van drie bij drie. Als je geluk had, drieënhalf bij drieënhalf. Een dagdeel naar buiten. Of mijn favoriet: “als het weer het toelaat.”

Die kenden we inmiddels wel. Zeker in Nederland, waar het een behoorlijk deel van het jaar regent, waait, vriest of blijkbaar op een andere manier niet het juiste weer is om een paard buiten te zetten. Daar wilde ik juist niet meer naar terug.

Tegelijkertijd kwam ik genoeg plekken tegen die op papier precies leken te zijn wat ik zocht: 24/7 buiten, groepshuisvesting, onbeperkt ruwvoer. Tot ik ging kijken. Modder tot aan je enkels, een kleine schuilstal voor een hele groep paarden, geen droge plek om in de winter comfortabel te kunnen liggen. Ook dat is geen welzijn… Ik dacht toen oprecht: als dít het alternatief is, blijf ik liever waar ik ben. Daar was tenminste nog iets van comfort en veiligheid. Want alleen omdat een paard 24/7 buiten staat, betekent nog niet automatisch dat zijn huisvesting goed is. Ik wilde Chilli niet koste wat kost buiten hebben. Ik wilde dat zijn leven beter werd.

Tot we het vonden. Niet in mijn regio en absoluut niet om de hoek, maar wel een plek die bijna alle boxjes afvinkte van wat ik voor Chilli zocht. En dus deed ik het. Ik verhuisde mijn “sportpaard” naar een plek waar hij 24 uur per dag buiten kon leven.

Terwijl ik dit schrijf, zijn we ruim een jaar verder. En het grappige is: Chilli hinnikt nog steeds regelmatig als hij me ziet. Als ik richting de paddock of wei loop, komt hij vaak meteen naar me toe. Op het eerste gezicht misschien precies hetzelfde paard als uit het begin van dit verhaal. Maar voor mij voelt het totaal anders.

Hij staat niet meer achter een staldeur op mij te wachten tot ik hem eruit haal. Hij komt naar me toe terwijl hij ook weg zou kunnen lopen. Hij heeft eten, andere paarden om zich heen en de vrijheid om zijn eigen dag in te vullen. En toch kiest hij er regelmatig voor om naar mij toe te komen. Sterker nog, hij is inmiddels zo fit en enthousiast dat hij soms uit zichzelf de oefeningen laat zien die we pas net samen hebben geleerd. Hij wil weer bewegen, hiij wil weer ontdekken, hij heeft weer zin om samen met mij iets te doen.

Misschien is dat uiteindelijk wel het grootste verschil. Ik ben nog steeds onderdeel van zijn dag, maar ik hoef niet meer zijn hele dag te zijn.